#16. Ik hoef niet met een strik vooraan te staan

Foto Rogier

Gerdi Verbeet, oud-Kamervoorzitter: ‘In de rol van leider heb ik mezelf nooit zo gezien, en dat is misschien wel grappig. Ik realiseer me dat anderen dat wel doen, zeker toen ik een grote organisatie als de Tweede Kamer leidde. Men verwijt me wel eens dat ik dominant ben – lachend: wat ik zelf natuurlijk helemaal niet vind – maar dat komt omdat ik altijd iets wil. Ik heb altijd een bakje met plannen, en die hebben niet zozeer met mezelf te maken. Het maakt mij niets uit, ik streef niet naar persoonlijke winst, nooit, –  waar ik naar streef is ideeën en idealen met een grotere reikwijdte gestalte geven. 

Neem de opvattingen van David van Reybrouck over democratie, ik ben al vijf-zes jaar bezig om zijn idee van de G1000* als complement – en niet in plaats van – van de parlementaire democratie te promoten, omdat ik dat als een antwoord zie op het geringe aantal mensen dat nog politiek actief is. 
Dat verwijt ik die mensen niet. De wel-actieven zou je in een lijstje willen doen, zo geweldig is dat, maar dan vraag ik me wel af: waarom willen anderen dat nou niet, waarom voelen die zich niet geïnspireerd. Ik denk dat het komt omdat de omgeving en de manier waarop de politiek werkt, steeds minder mensen aanspreekt. Het probleem ontstaat omdat de politieke partijen zo klein zijn geworden. Er is nu een groep van twaalf duizend man die de politieke besluiten neemt, programma’s maakt en lijsten samenstelt, en die groep is te weinig ‘verbonden’ met de samenleving. 

Leiderschap valt bij mij onder zo’n ideaal, de wil om mensen te betrekken bij de politiek. In de kamer was artikel 50 van de Grondwet  – ‘de Staten Generaal vertegenwoordigen het gehele volk – vijf jaar lang mijn leidend principe. Mijn leiderschap is inhoudelijk, ik wil iets bereiken met de club waar ik op dat moment leiding aan geef, niet ten bate van mezelf. 

Hekel aan sneven

Dit is wel de story of my life: ik was klassevertegenwoordiger, ik werd gevraagd om voorzitter van de schoolbond te worden. Er bleek nog een kandidaat te zijn, en toen was ik bereid er strijd voor te voeren, dat wilde ik dan natuurlijk wel voor mezelf.  Ik heb er een hekel aan om te sneven. Ambitie heb ik wel, maar wat ik wil bereiken, bereik ik via de inhoud; als ik ergens inhoudelijk niet achter kan staan, doe ik het niet. Soms hebben keuzes ook consequenties in het persoonlijk vlak. Als Kamervoorzitter had ik me niet gerealiseerd dat je zoveel in beeld bent. En ook niet, – heel dom – dat je er zoveel bij moet zitten. Terwijl ik heel beweeglijk ben, dus dat was even lastig

In de Tweede Kamer heb ik me altijd hard gemaakt voor hoe er gecommuniceerd werd. Iemand met een normale interesse die een kwartier naar de Kamerdebatten keek, moest kunnen snappen waar het over ging. Er werden begrotingen van VWS behandeld, waarin het woord patiënt niet voorkwam. Dat kan toch niet waar zijn. Het onderwerp was de mensen in de zorg, maar daar ging het helemaal niet meer over. En ik vond dat er normaal taalgebruik terug moest komen. Daar ben ik wel eens mee geplaagd. Het thema was een keer de verruwing en toen zeiden ze: “Is dat nu wat u zo graag wilt?” Natuurlijk niet ruw, maar wel duidelijk en begrijpelijk. Ik had liever straattaal in de Kamer dan dat de straat zich niet vertegenwoordigd voelde. Tijdens mijn Kamervoorzitterschap heb ik drie duidelijke doelen voor ogen gehad: ik ging ervoor zorgen dat de Kamerleden helder taalgebruik hanteerden, ik wilde er als Kamervoorzitter voor iedereen zijn, en ik zou staan voor een Kamer waar meerderheden beslissingen namen met respect voor minderheden. 

Ik weet nog precies het moment waarop Agnes Kant gelijk kreeg van Ab Klink (toen minister van VWS), ze was volstrekt uit het veld geslagen, ze had nog nooit gelijk gekregen in de Kamer. Het is zo wezenlijk, dat je openstaat voor elkaars argumenten.

Als je een missie hebt, een ideaal, dan moet je mensen in beweging zien te krijgen. Ik ben systematisch met alle groepen – en beetje geholpen door het proces van reflectie en zelfreflectie** – gesprekken gaan voeren en dat heeft mij veel inzicht gegeven. Met de stenografen, die per definitie alles horen en meemaken,  ben ik ook gaan praten. De Kamerbodes hebben me ook geweldig geholpen. Zij hebben mij trouwens aangemoedigd om Kamervoorzitter te willen worden. Als u er zit, is het zo relaxed, zeiden ze. 

Zonder hulp kan ik niet succesvol zijn, dat heb ik me altijd gerealiseerd. Toen ik begon als politiek assistent, kwam de Kamerbewaarder naar me toe en vroeg: “Hoeveel moties worden er ingediend?” Geen flauw idee had ik. Maar daardoor wist ik meteen dat het bij mijn rol als politiek assistent hoorde om dat wel te weten.  Door die vraag te stellen had hij me onbewust geholpen. 

Iedereen krijgt een hand

Je hebt de klok, het spreken via de voorzitter en je hebt het Reglement van Orde. Je brengt rust in het debat door je strak aan de procedures te houden die je samen hebt afgesproken; dan kun je je daarop beroepen en hoef je het niet persoonlijk te maken. Voor een debat haalde ik de woordvoerders naar voren, allemaal rond het Rostrum: hoe gaan we het doen, hoeveel rondes interrupties hebben jullie nodig? En vervolgens hield ik ze aan hun eigen afspraken.
Kamerleden waren mij dankbaar als ik de procedure in dienst kon stellen van het proces. Ik ben enorm geholpen door mijn coach die mij adviseerde om maximaal voorspelbaar te zijn. Je biedt veiligheid als leider/Kamervoorzitter, als men weet hoe je zal reageren; in het heetst van de strijd vergeet men wel eens wat er is afgesproken, maar als je ze er dan even herinnert … Net als met kinderen, maar dat ga ik nooit zeggen natuurlijk. 

Ik ben begonnen als invalleerkracht. Je hebt dan geen eigen lokaal, je komt later in het lokaal dan de klas en dan sta je al op achterstand. Zodra ik een vaste baan had en een eigen lokaal, probeerde ik er altijd als eerste te zijn. Dan geef je iedereen een hand die binnenkomt, en zo bepaal je de sfeer. Als de klas er al is, hebben ze jou niet meer nodig. Dan is er al een sfeer. In de Kamer is dat ook een ritueel. Als de bel gaat, komt de Kamerbewaarder je halen en jij loopt achter hem aan samen met de griffier. Sommige voorzitters vinden het wel leuk als er nog meer entourage is, maar daar was ik niet zo van. Je markeert zo het moment en de functie. Ik vond het belangrijk om er als eerste te zijn. Dan zat ik al op mijn stoel en kwamen de Kamerleden mij groeten. Dat zette in belangrijke mate de toon.

Met Kerst stuurde ik de medewerkers van het het restaurantbedrijf, de post, de telefonisten een kaart waarop ik ze bedankte voor de verbindingen, de verfrissingen, voor al het werk dat ze deden. Omdat het zo’n spannende onveilige omgeving is gaven die mensen mij het gevoel dat ik gestut werd. Bijvoorbeeld na het Uruzgan debat. Ik was zeer geëmotioneerd, het was een zwaar debat om te leiden – het had niks met mij te maken, maar ik moest huilen. Ik vond het een dieptepunt voor de democratie.  De Kamerbewaarder zag mijn emotie en zei: “Voorzitter, u moet nu vlak achter mij lopen. Niemand hoeft te zien dat u verdriet heeft.” Ze omsloten mij en ik ben naar mijn kamer gegaan. Zij hebben mij op die manier geweldig geholpen.

Man met snorretje

Ik was Kamervoorzitter, maar ik was ook manager van de Tweede Kamer als geheel. Leider zal ik niet zo gauw zeggen. Voor mijn generatie heeft dat te maken met die man met dat nare kleine snorretje. Leider staat voor mij meer voor dictator. In bijna alle raden en commissies waarin ik nu zit ben ik voorzitter, dus altijd een beetje achterover leunend en kijkend naar wat er gebeurt. Ook wel confronterend, bijvoorbeeld als mensen zeggen dat ze het met iemand eens zijn, terwijl ik weet dat het niet zo is. In de clubs waar ik nu bij zit, wordt er niet gestemd zoals in de Kamer, dus we praten net zolang door tot je elkaar overtuigt. Want als mensen het niet eens worden met elkaar, heb je als voorzitter wel de plicht, vind ik, om dat bloot te leggen.
Als er in een vergadering respectloos wordt gesproken over mensen die er niet bijzijn, dan vind je mij op je pad. Of dat nou organisaties zijn, of personen, daar kan ik niet tegen. Ook als ik deelnemer aan de vergadering ben en de voorzitter laat dat toe, spreek ik me uit.
Het moet goed gaan met de Bachvereniging, met Novamedia, die clubs moeten bloeien en groeien. Het gaat erom dat we onze missie kunnen waarmaken, maar wel ONZE missie. Ik denk dat ik niet vaak IK gebruik. Ik wil iets voor de organisatie, voor het parlement, ik wil dat Novamedia kan groeien ten bate van al die goede doelen, maar ik hoef zelf niet met een strik vooraan te staan. Dat betekent dat ik, als ik echt iets wil, echt zelf, liever geen voorzitter ben. 

Als je zelf echt iets wil, dan kun je niet meer dienen. Dan wordt IK belangrijker dan het geheel.

Bij de voorbereiding van mijn toespraken – en ik moet er veel houden –  betrek ik altijd veel mensen. Dat geeft mij een prachtige kans om het ook hun verhaal te laten zijn. Omdat ik niet perse mijn eigen verhaal hoef te vertellen, kan ik ook makkelijk de idealen van anderen verwoorden.

Vleesgeworden compromis

Vorig jaar hield ik ‘de Preek van de Leek’, en dat was voor mij indirect een manier om een aantal dingen te kunnen zeggen die ik voor het Comité 4 en 5 mei van belang vind. Zo’n preek houd je, maar daarna blijft hij bestaan: hij staat ook op de site van 4 en 5 mei, en als mensen zelf een toespraak moeten houden, gaan ze toch een beetje googlen en opzoeken wat ‘zij’ allemaal heeft gezegd en gebruiken dan ook weer stukjes van zo’n toespraak. Het zijn mijn ideeën die ik probeer te vermengen met de reacties van anderen. Als Kamervoorzitter heb ik dat ook gedaan. Nooit toespraken gehouden die alleen uit mijn eigen koker kwamen. Wat ik zelf vind, zit er wel allemaal in, maar ik ben een vehikel, een voertuig. Het gaat niet om mij. Het frustreert mij nooit. Want ik vind vaak dat anderen ook een punt hebben. Ik ben het vleesgeworden compromis. Ik vind het beste idee een idee dat verrijkt is met andere ideeën, waardoor het beter is geworden en meer draagvlak heeft. 
In de Preek van de Leek bijvoorbeeld heb ik ‘de Barmhartige Samaritaan’ genomen als preekonderdeel. In het normale leven wil iedereen de barmhartige Samaritaan uithangen, dus vind ik de vraag veel boeiender vind  waarom die andere mensen niet stil bleven staan, het slachtoffer niet hielpen, waarom liepen die door? Wat hebben wij nodig om bereid te zijn de ander te helpen. Dat vond ik een interessante gedachte en bij de voorbereiding van die toespraak ben ik daar eerst met anderen over gaan praten.

Als wij willen dat de herdenking en de viering van 4 en 5 mei niet verouderd raken, en dat het bij die herdenking echt lukt om jongeren erbij te betrekken, dan moeten wij dus ook een gebaar naar hen maken. Ik moet hen helpen om een gevoel van herdenken te krijgen, om een mogelijke route te wijzen.
Dan moeten wij accepteren dat jongeren niet meer altijd weten wat er gebeurd is, dan moeten wij die verhalen blijven vertellen. Maar er komt een moment dat je ook geïnteresseerd moet zijn in hun verhalen, in hun pijn. En vanaf 1961 zijn ook de missies en uitzendingen betrokken bij 4 en 5 mei. Ik ben heel blij dat dat gebeurd is, maar sommigen hebben daar veel moeite mee. Het zal altijd blijven schuren, kraken en piepen, maar zonder dat debat is er geen herdenking. 

Recht op 40 jaar werk

Ja, ik werk nog steeds heel hard, heb jij het laatste lijstje? Ja, haha, deze klopt. Veel verschillende dingen, veel verschillende rollen, vaak als voorzitter, soms gewoon als lid. Ik ga wel wat minder werken, dus ik kijk goed naar de termijnen van de functie waar ik voor gevraagd word. Sommige activiteiten stoppen vanzelf. Ik ben met mijn dertigste gaan werken en ik heb “recht” op veertig jaar werk. 

Mijn kinderen zeggen dat ik overal volstrekt hetzelfde ben. Ongeacht mijn functie. Dat is de bassist in mij.’ 

Gerdi Verbeet werd geboren op 18 april 1951 in Amsterdam. Ze doorliep het gymnasium in Amsterdam, studeerde sociale geografie maar rondde deze studie niet af. Zij slaagde voor MO-A Nederlandse Taal- en Letterkunde. Gerdi Verbeet werkte als docent en later binnen het leerlingwezen. Van 1994 tot 2001 was zij politiek adviseur van staatssecretaris Tineke Netelenbos (OCW) en PvdA-fractievoorzitter Ad Melkert.
Van december 2001 tot september 2012 was zij, met een korte onderbreking in 2002, lid van de 
Tweede Kamer der Staten-Generaal. Verbeet is lid van de Partij van de Arbeid. Ze hield zich vooral bezig met sport, ouderenbeleid en de AOW. Zij was ondervoorzitter van de vaste Kamercommissie voor Justitie en van de themacommissie ouderenbeleid. Van 2006 tot 2012 was zij voorzitter van de Tweede Kamer.

* De G 1000
De G 1000 is  voor het eerst gehouden in België en gestart met een burgertop, een evenement waarbij op één dag 1000 burgers met elkaar in gesprek gingen. Sindsdien wordt het ook in Nederland nagevolgd. Mensen gaan met elkaar in gesprek over hun eigen stad, dorp of gemeente of over een specifiek onderwerp. Zij gaan op zoek naar wat zij samen belangrijk vinden voor hun gemeente. 

** Parlementaire zelfreflectie
In 2007 werd in de Tweede Kamer een discussie gestart over het eigen functioneren. De positie, de reputatie en de werkwijze van de Tweede Kamer vormden al langere tijd onderwerp van publiek debat. Er werd een stuurgroep ingesteld, die een parlementair antwoord op het publieke debat moest formuleren en die de parlementaire discussie vorm moest geven. Op 17 november 2009 presenteerde Tweede Kamervoorzitter Verbeet de publieksversie van het rapport ‘Vertrouwen en zelfvertrouwen’, de resultaten van de conferentie.

Iedere woensdag verschijnt er een nieuw interview, geschreven door Gulian van Maanen en Violet Falkenburg. Deze interviews komen ook op het Platform Lerende Leiders en op LinkedIn.